Maand: oktober 2020

Een stad in opbouw. Gent voor 1540

Een stad in opbouw. Gent voor 1540

Een stad in opbouw. Gent voor 1540

Wonen. Hoe? Met de drie vragen. Waar? Waarin? Waarom? Dat is eigenlijk de leidraad van het boek. Het was de Kamer van de Bouwnijverheid te Gent die als promotor optrad voor deze studie. Een speurtocht doorheen het verleden, tijdperk per tijdperk, naar onze bouwcultuur, zoals het voorwoord laat lezen. Die bouwcultuur omvat zowel de opdrachtgevers, de bouwmeesters, de ambachtslui als de technieken en materialen.

Maar meer dan dat: de hele ontwikkeling van de stad in zijn sociologische en economische verbanden wordt eigenlijk stap voor stap uit de doeken gedaan. Met verbazing lezen we blad na blad alle mogelijke verbanden, invalshoeken en wetenswaardigheden over het ontstaan van Gent en de evolutie van het bouwen en de bouwkunst.

Het geheel is opgesplitst in vijf delen. De eerste drie zijn eerder toegespitst op Oost-Vlaanderen. Het gaat dan om 1. De prehistorie 2. De Gallo-Romeinse periode en 3. De vroege middeleeuwen. Met hoofdstuk 4. De hoge middeleeuwen zetten we vaste voet in Gent waar de bouwbedrijvigheid gevoelig toenam. Deze delen omvatten telkens een 30-tal bladzijden.

De hoofdbrok, zeker met betrekking tot Gent, is deel 5. De late middeleeuwen. Daarin komen aan bod: de algemene geschiedenis van Gent (sociaal en politiek), het architecturaal patrimonium, het bouwbedrijf en drie grote open werven (het Groot Vleeshuis, het Hof ten Walle en het stadhuis). Alles omspant een 170 bladzijden.

Het werk is heel mooi geïllustreerd, waarbij de afbeelding een meerwaarde bieden bij de tekst. Ze krijgen verklarende commentaar mee. De selectieve bibliografie biedt de weg naar meer literatuur.

Dit boek is zeker een aanrader! Het duikt soms op in het tweedehandscircuit

Beatrix Baillieul, Anne Duhameeuw, Een stad in opbouw. Gent voor 1540, Tielt, Lannoo, 1989, 336 p., ISBN 9789020917246.

Delen:
Prentenboek van Antwerpen

Prentenboek van Antwerpen

Prentenboek van Antwerpen

In tegenstelling tot de boekjes “… in oude prenten” zoals bijvoorbeeld dit boekje van Boom. Het gaat toch een ander concept. Verwacht geen oude ansichten. Het gaat hier wel degelijk om prenten, om gedrukte tekeningen uit de tijd voor de fotografie. Er werd wel wat getekend en geëtst in Antwerpen. Dit werk brengt er een 70-tal van samen.

Jozef Linnig -schilder, aquarellist en kunsthandelaar- was één van hen die zich lieten inspireren door de Scheldestad. Zijn ‘Historisch Album’ verscheen in 1868. Een andere naam is Edward Dujardin (1817-1889), leraar aan de Academie voor Schone Kunsten. Ook Rubens kan niet ontbreken.

Er werd één stadsplattegrond opgenomen, en één zicht op de Schelde. Verder gaat het om gebouwen en stadszichten.

Een inleiding van de hand van Van Hageland evoceert de Antwerpse geschiedenis met sterke folkloristische inslag. Verder gaat elke prent vergezeld van voldoende duiding om één en ander te situeren.

De druk is zwart-wit, wat bijdraagt tot het oorspronkelijke karakter van de tekeningen. Het formaat is iets groter dan een A-4.

A. Van Hageland (inl.), Prentenboek van Antwerpen. Beelden uit een roemrijk en bewogen verleden, Uitgeverij Ridderhof B.V., Rotterdam, 1979, 80 p., ISBN 9030804653

Delen:
Het nieuwe licht uit Langerbrugge 1900-1940

Het nieuwe licht uit Langerbrugge

Het nieuwe licht uit Langerbrugge 1900-1940

Er valt toch nog wat te zeggen over industriële geschiedenis. In vele overzichtswerken van gemeenten bleef dat thema toch onderbelicht. Ontwikkeling van fabrieken en spoorwegen, ja, dat komt nog wel aan bod. Maar de opgang van elektriciteit, van telefoon, van nutsvoorzieningen, van techniek en mechanisatie: daar ligt nog heel wat onontgonnen terrein. ETWIE, voluit het Expertisecentrum voor Technisch, Wetenschappelijk en Industrieel Erfgoed, zet hier volop op in.

In dit boek belichten de auteurs de intrede van elektriciteit in grote delen van Oost- en West-Vlaanderen. De CEF -Centrales Electriques des Flandres- vond daar een werkterrein om de wonderen van de vooruitgang te verspreiden. De schrijvers hebben zoveel als mogelijk bekeken hoe de verschillende gemeentes op dit ‘nieuwe licht’ reageerden. Sommigen hapten gretig toe, anderen waren terughoudend of afwijzend en weer anderen beschikten niet over de nodige financies. We spreken dan nog over de gemeentes van voor de fusies, met soms hele kleine leefgemeenschappen die bovendien agrarisch gericht waren.

Hoofdstuk één heeft het over de komst van elektriciteit in Vlaanderen en de voorgeschiedenis van energievoorziening in het Gentse. Hoofdstuk twee gaat over het ontstaan van de CEF en de eerste aangesloten gemeenten voor WOI. In een derde deel komt de oorlogstijd zelf aan bod. Een vierde deel titelt “De verovering van het platteland” en daarin wordt een uitgebreid bericht over verdere expansie naar de verschillende gemeenten en de aftasting van de grenzen. Er waren immers ook andere compagnieën actief in Vlaanderen, zoals de ENB (Electricité du Nord de Belgique) die oostelijk de Oost-Vlaamse provinciegrens overschreed en die gemeenten op haar net aansloot.

Elk hoofdstuk heeft vele sub-titeltjes van een paar pagina’s. Die kunnen gemakkelijk apart gelezen worden. De illustraties zijn overvloedig, maar omvatten veel postkaarten met een zicht op de gemeente van toen waarvan sprake in de tekst op dat moment. Spijtig dat daar niet meer geopteerd is voor elektriciteit-gerelateerd beeldmateriaal. Maar dat blijft een kleine kritiek. Het boek is zeker de moeite waard en eigenlijk te weinig bekend.

Een register op plaatsnamen en vennootschappen (i.v.m. energie) maakt opzoeken van casestudies per gemeente heel makkelijk.

Langerbrugge, in de Gentse Kanaalzone, kreeg in 1913 aan zijn horizon de grote elektriciteitscentrale van de CEF. Daar kwam ‘het nieuwe licht’ vandaan.

Noël Kerckhaert, Dirk De Vleeschauwer, Het nieuwe licht uit Langerbrugge 1900-1940, Lannoo, Tielt, 1990, 494 p., ill., D/1990/2773/2.

Delen:
Opwijk in oude prentkaarten

Opwijk in oude prentkaarten

Opwijk in oude prentkaarten

Na Diest trekken we naar de andere kant van Vlaams-Brabant: naar Opwijk. Deze gemeente, op de grens met Oost-Vlaanderen, ligt aan de voet van de Brabantse heuvels. Op weg naar Asse, bij het buitenrijden van Mazenzele, wordt dat heel duidelijk. We zitten nog net voor de fusies, dus deze laatstgenoemde gemeente, nu deelgemeente van Opwijk, komt in het boekje niet aan bod.

Opwijk zelf kent drie kernen: centrum, Droeshout en Nijverseel. Deze laatste komen in de mate van het mogelijke aan bod. Want de focus ligt immers op de periode voor de Eerste Wereldoorlog en dan is er niet bijster veel beeldmateriaal voorhanden.

Het boekje telt 16 pagina’s straatgezichten (in totaal een 20-tal) met summiere uitleg. Dan volgen nog eens 22 beelden met mensen of gebeurtenissen. Dat maakt in totaal 38 enkelzijdig bedrukte bladzijden, met nog één extra bladzijde algemene uitleg.

Voor Opwijk, zo rijk gestoffeerd door het werk van Jan Lindemans, kon dat toch beter. Het station bijvoorbeeld is op geen enkele bladzijde te zien, terwijl er wel postkaarten van bestaan. Het lijkt erop dat er moest geroeid worden met de riemen die beschikbaar waren.

Anderzijds had Opwijk zijn “in oude postkaarten”. Een verzamelobject dat vandaag zo goed als onvindbaar lijkt.

Nand Van der Straeten, Opwijk in oude prentkaarten, Zaltbommel, 1973.

Delen:
Profiel van Mol

Profiel van Mol

Profiel van Mol

In deze beschrijving van Mol komen zowat alle elementen uit het verleden aan bod. Akkoord, er kan nog veel meer geschreven worden. Maar dit is toch wel een mooi stukje werk geweest. In 1971 was heemkunde nog niet volop aan de orde en bleef de literatuur om op terug te vallen eerder beperkt.

Het eerste deel gaat in op de geografische en geologische situatie van Mol. Aandacht is er voor wit zand, bruinkool, turf, bossen, heiden en irrigatie.

Een tweede hoofstuk heeft het over het Mols dialect en zijn plaats binnen de andere dialecten en het Nederlands.

De geschiedenis van Mol vormt een derde deel. Hier geen echt overzicht, maar enkele aandachtspunten. Aan bod komen grondgebied en grenzen, de voogden, de patriotten in de Boerenkrijg. Toponymie en familienamen worden ook besproken.

De abdij van Postel krijgt een eigen en uitvoerig hoofdstuk, met geschiedenis en evolutie en een beschrijving van de abdij rond 1970.

Het Molse volksleven omvat de schuttersgilden en de oude begankenissen. Het cultuurleven sluit aan met schone kunsten, toneel, muziek, literatuur en architectuur.

Een achtste hoofdstuk bespreekt Mol als toeristische ‘kern’ van de Kempen. Elke deelgemeente passeert de revue, samen met Euratom en Eurochemie.

De bevolkingsevolutie, industrie en handel en infrastructuur worden gegroepeerd in een socio-economisch overzicht. Dit wordt gevolgd door een paar bladzijde contemplatie over de toekomst. Daarin valt toch het streven naar industriële ontwikkeling in het licht van de gewestplannen en uitgezette groeikaders (o.a. de Eenheidswet) op.

Tenslotte een uitgebreid addendum met overzicht van het vredegerecht, de gemeenteraadsverkiezingen, de stichtingsjaren van de onderwijsinstellingen. Het deel ‘Mol en het verleden’ is een overgenomen tentoonstellingstekst en had beter geïntegreerd geweest in hoofdstuk drie.

Het boek bevat een index. Elk hoofdstuk heeft een korte samenvatting in Frans, Duits en Engels.

De afbeelding zijn eerder schaars, maar dat was wel meer zo voor uitgaven van die tijd. Dat mag geen hinderpaal zijn om het te laten liggen! Het is trouwens zeer moeilijk te vinden in het tweehandscircuit

Diverse auteurs, Profiel van Mol, Tafelronde 47, Mol, 1971, 480 p.

Delen:
Gent morgen. 35 jaar dromen, plannen en bouwen in de stad

Gent morgen

Gent morgen. 35 jaar dromen, plannen en bouwen in de stad

De verhoogde koopkracht na 1950 zorgde ervoor dat vele Vlamingen hun droom van een huisje met een tuintje konden realiseren. Bouwpromotoren realiseerden de ene verkaveling na de andere. Grote woonprojecten verrezen aan de stadsrand. De ruimte werd schaarser. Niks of weinig ging uit van een overkoepelende visie.

Anderzijds kwam er leegstand in de binnenstad. Bedrijven verhuisden. Grote terreinen werden ontruimd en vroegen om reconversie. De plaats van de auto kwam ter discussie. Dat had tot gevolg dat de ruimte werd herbekeken. Vanaf 1971 veranderde Gent grondig.

In dit boek ontdek je de verschillende projecten in de publieke ruimte in het Gent van rond 1985-1999. Ze worden kort voorgesteld. Je krijgt een recente foto (omstreeks 2006), plannen en beeldmateriaal over de situatie rond 1985. Telkens ook een woordje uitleg.

Daarnaast brengen een aantal mensen een woordje uitleg over stadsplanning, en specifiek binnen de Gentse context.

Karel Van Keymeulen, Wout de Vuyst, Maria de Waele, Gent morgen. 35 jaar dromen, plannen en bouwen in de stad, Stad Gent, 2006, 96 p., ISBN 9080672246.

Delen:
Vorst in oude prentkaarten

Vorst in oude prentkaarten

Vorst in oude prentkaarten

De Toen-boekjes voor De Panne  en Diest  zijn elders op de site te vinden. Zij zijn de opvolgers van de reeks … in oude prentkaarten.

In het Frans krijgt de reeks de titel Au Temps jadis. Ligt voor de hand. Maar voor het Brusselse kwamen deze uitgaven tweetalig op de markt. Gelukkig staat de titel er wel in het Nederlands.

Het concept is hetzelfde: op elke bladzijde één foto met daarbij uitleg. De afbeelding zijn iets kleiner, omdat er een tweetalige commentaar bij de foto staat. Deze is redelijk uitgebreid. Daarmee bedoelen we: meer dan één zinnetje en voldoende om het geheel te situeren. Het Nederlands is zeker meer dan aanvaardbaar, alhoewel soms de rechtstreekse vertaling vanuit het Frans naar boven komt. Het kan in Brussel véél en véél slechter, met tweetalige werken in schabouwelijk Nederlands.

Het spreekt voor zich dat de kijker en lezer overdonderd worden met de metamorfose die het Vorst van 1880-1920 onderging. Een metamorfose die nog in een stroomversnelling kwam en als deel van de Brusselse agglomeratie nooit stopt. Anderzijds zijn nog zoveel herkenningspunten bewaard gebleven. Gilbert Papens, de samensteller, heeft ook plaats ingeruimd voor mensen uit het Vorst van weleer.

Deze verzamelboekjes van toen blijven een aanrader!

Vorst in oude prentkaarten deel 2, Zaltbommel, 1996, 115 p., ISBN 9028862382.

Delen:
Deerlijk jaarboek 1996

Deerlijk jaarboek 1996

Deerlijk jaarboek 1996

Dit is geen jaarboek zoals vele heemkringen uitgeven. Het bevat geen verzameling van artikels over plaatselijke geschiedenis. Dit is een jaaroverzicht in de strikte zin van het woord. Net zoals de reeks van Lier.

Zo’n boeken worden elk jaar interessanter. Het is een gouden tip. Het verleden van morgen vandaag vastleggen. Persfotograaf Marc Vergote stelde het eerste samen in 1994. Hij zou de reeks besluiten in 2019. Vijfentwintig in totaal. Evenveel jaren Deerlijk die vastgelegd zijn voor het verleden.

De onderwerpen zijn heel divers: van 100-jarige, over politiek, religie, sport, naar gebouwen die verdwijnen en nieuwe schooldirecteurs. De foto’s worden begeleid door verklarende tekst, meestal op de naastliggende pagina.

Het staat vast dat terugblikken op 15, 20 of 25 jaar geleden voor nostalgische “oh”-s en “ah”-s zal zorgen. Maar anderzijds wordt deze reeks een hele mooie bron voor wie het recent verleden van Deerlijk onder de loep wil nemen, of een aspect ervan wil uitdiepen. Ideeën genoeg. Zelfs de toenmalige adverteerders zijn ondertussen al geschiedenis.

Dit initiatief zou eigenlijk verdergezet moeten worden én navolging moeten vinden in andere gemeentes.

Marc Vergote, Deerlijk jaarboek 1996, 120 p., verder geen nummer.

Delen:
Garnizoen Antwerpen 1831-1970. Het leger in het dagelijks leven van de Antwerpenaren

Garnizoen Antwerpen 1831-1970

Garnizoen Antwerpen 1831-1970. Het leger in het dagelijks leven van de Antwerpenaren

De tijden tekenden Antwerpen met vele herinneringen aan militaire aanwezigheid. De strategische ligging op de grenzen van Vlaanderen en Brabant aan de oever van een rivier is daar niet vreemd aan. Dat die Schelde op economisch en militair gebied steeds meer aan belang won, vergrootte de impact van vestingbouwers en garnizoenen op de stad.

Brialmont ontwierp de vestinggordel, waarvan we al eerder spraken wat betreft de sectie Berchem. Bolwerken, schietbanen en forten hoorden bij het dagelijks leven van de Antwerpenaar. Die keek niet op van een groep gewapende militairen die door de straat defileerden op weg naar de Falconkazerne, de Prekerskazerne, de Sint-Joriskazerne of de Prinsenkazerne, die in het midden van de stad lagen. Ze verdwenen allemaal, die gebouwen die het leger gebruikte. Na 1970 bleef alleen het militair hospitaal aan de Marialei over.

Het boek focust sterk op beeldmateriaal. Dat wordt gegroepeerd in zes hoofdstukken. Een eerste schetst de situatie tijdens en vlak na 1830; een tweede op het Noorderkasteel van Chazal en de gordel van Brialmont; een derde heeft het over de burgerwacht. De Duitse bezetting van ’14-’18 vormt een vierde deel. Hoofstuk vijf en zes hebben het over het interbellum, met de naweeën van WOI en beelden van de kazernes. De demilitarisering sluit tenslotte het boek.

Het geheel vormt een mooie een unieke verzameling aan iconografisch materiaal. De wisselwerking tussen het leger en de Antwerpenaar wordt echter zeer summier uitgelegd en blijft beperkt tot twee bladzijden per hoofdstuk. De boventitel “Archiefbeelden” van deze reeks zegt genoeg. In dezelfde reeks verscheen “Antwerpen in 101 gedenkplaten” en “Antwerpse circusartiesten”.

Het boek is moeilijk te vinden op de tweedehandsmarkt

Frans Lauwers, Garnizoen Antwerpen 1831-1970. Het leger in het dagelijks leven van de Antwerpenaren, Tempus – The History Press, 2010, 128 p., ISBN 9781845886455.

Delen: