Maand: april 2021

Aalst in oude prentkaarten

Aalst in oude prentkaarten

Aalst in oude prentkaarten

Begin er maar aan: “… in oude prentkaarten”. Als het gaat om een klein dorp, zal materiaal schaarser zijn dan wanneer je een stad in beeld wil brengen. Dan gaat het weer om het maken van keuzes. Beperken in tijd? Beperken in thema’s? Beperken in locatie of wijken?

De titel “Aalst in oude prentkaarten” houdt meteen een overdrijving in. Neen, het is het Aalst van ruwweg 1900 tot 1914. Vooral dan stadszichten, want die zijn in ruime mate voorhanden. Hier en daar ook een persoonlijkheid of een groep. Bij die enkelingen worden namen vermeld. Maar velen poseren anoniem.

Er vinden 158 prenten een plaats in dit boekje. Voorzien van een tekst die één en ander situeert. Literatuur was er genoeg voorhanden over de Ajuinenstad. Jos Ghysens, in samenspraak met andere Aalstenaars, selecteerde en stelde samen.

Beeld 145 is misschien hét Oilsjterse stadsleven ten top: Ros Beiaard met begeleidende vioolkrabber en de reuzen Polydore, Polydora en Polydorken. Alleen iemand met Aalsterse roots begrijpt het geheel. En de buren uit Dendermonde, die het niet willen begrijpen. Net zoals Aalst Karnaval.

Zo zien we dat er meer dan een eeuw later nog sporen van die tijd doorleven, niet alleen in de gebouwen, maar ook in de volksaard van de stad.

Jos. Ghysens, Aalst in oude prentkaarten, Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1971, 162 p.

Delen:
Als wij de schoenen tatsen. Een halve eeuw Hoppefeesten in Poperinge

Een halve eeuw Hoppefeesten in Poperinge

Als wij de schoenen tatsen. Een halve eeuw Hoppefeesten in Poperinge

Als het gaat over plaatselijke geschiedenis, is dat natuurlijk niet alleen over kasteelheren en keizers. Dat was vroeger wel eens het geval. Maar doorheen de jaren hebben meer mensen zich gewaagd aan het in kaart brengen van aspecten uit het stads- of dorpsleven.

In dit geval is het jubileum van de Hoppefeesten en Hoppestoet aanleiding om daarover één en ander samen te brengen in een boek.

Er zijn drie delen. Een eerste deel handelt over het ontstaan en de groei van de stoet. Zo werd “de witten” (een soort hopschimmel) uitgebeeld door personages met witte kappen en kleren. Ze leken een beetje te sterk op een racistische groep uit de VS en werden dan maar vlug terug afgevoerd.

Een tweede stuk gaat over de andere aspecten van de Hoppefeesten: de hopkoninginnen, de randanimatie en de alternatieve feesten zoals plukdag en bierfestival.

Tenslotte het derde deel, dat de technische kant bekijkt. Organisatie, regie, figuranten, muziek en dans, kostuum en grime, de paarden, de trajecten, de toeschouwers, de promotie en de financiering.

Er is een (zeer) beknopte bibliografie.

Het geheel is rijk geïllustreerd, maar vooral met foto’s van de laatste edities. Spijtig. Voor de jaren 1955-1975 kan je nog argumenteren dat er weinig materiaal is. Maar zelfs de jaren ’80 zijn echt wel ondermaats vertegenwoordigd en toen werd toch al veel meer gefotografeerd.

Maar een zeer verdienstelijk boek over een zeer specifiek folkloristisch gegeven.

Herman Degryse, Als wij de schoenen tatsen. Een halve eeuw Hoppefeesten in Poperinge, Brugge, De Klaproos, 2008, 144 p., ISBN 9789055080960.

Delen:
Knokke. De laatste witte vlag

De laatste witte vlag

Knokke. De laatste witte vlag

Knokke (1 november), Heist (2 november) en Zeebrugge (3 november) zijn de laatste gemeentes in Vlaanderen die bevrijd worden. De Duitsers hielden hardnekkig vast aan Brückenkopf Breskens. De Canadezen hadden het over de Breskens-Pocket. Deze was ruwweg begrensd door de Westerschelde, de Noordzee, het Leopoldkanaal en de Braakman.

De auteur brengt in dit boek ontzaglijk veel materiaal samen. Heel veel foto’s zijn in dit boek te zien. Daarnaast kon hij de hand leggen op een groot aantal documenten. Hij zorgt voor verhalen en anekdotes van ooggetuigen. Alles is aanwezig om het geheel te kneden tot een prachtig overzicht van die dagen.

Alleen, dat gebeurt niet. Het blijft bij het verzamelen van materiaal. Inderdaad, de lezer kan zich wel een beeld vormen van de gebeurtenissen, maar moet alles zelf aan elkaar breien. De schrijver is eerder een verzamelaar (de derde ‘soort’ heemkundige). Hij heeft wel hoofdstukken gemaakt: het geraamte is er. Maar geen inleidingen, geen besluiten, geen overzicht. Elk hoofdstuk bestaat uit deeltjes van meestal één à twee pagina’s.

Tot daar de kritiek. Want het is een blijft een zeer opmerkelijke prestatie om al dit materiaal samen te brengen én dan nog eens te bundelen en aan te bieden aan geïnteresseerden.

We zijn ondertussen een dikke 30 jaar verder. Dit boek is meer en meer een rijke bron voor wie de bevrijdingsdagen van Knokke-Heist en het Scheldegebied wil reconstrueren.

Constant Devroe, De laatste witte vlag,  eigen beheer, 1991, 312 p.

Delen:
Boom van de oudheid tot het jaar 2000

Boom van de oudheid tot het jaar 2000

Boom van de oudheid tot het jaar 2000

Iemand die bij het begin van zijn boek terugkijkt op wie er voordien al heeft gepubliceerd, is zeker belezen. Alex Vinck laat van meet af aan duidelijk zie dat hij als geen ander het verleden van Boom heeft bestudeerd.

Vinck deelt het boek in twee grote stukken: van de oudheid tot ca. 1800 en van de Franse tijd tot heden. De verhouding in pagina’s is echter 1 op 5. Voor 50 pagina’s oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd volgen meer dan 250 pagina’s na 1800. Het ter beschikking staande bronnenmateriaal heeft daarin vooreerst natuurlijk de grootste oorzaak. En in dat tweede deel neem de periode 1800-1830 een 15-tal pagina’s in. Dus eigenlijk is het meer “Boom van 1830 tot 2000”. De auteur splitst het tweede stuk nog op in voor 1900 en na 1900. Maar dat had niet gehoeven. Een aantal zaken hergroeperen bij bestaande delen zou zeker gekund hebben.

Maar wat een verdienste. Want wat komt aan bod over 1830-2000? Zowat alles. We vatten samen, niet noodzakelijk volgens de indeling van het boek.

  • Politiek (voor 1900 en dan verdeeld over andere stukken)
  • OCM
  • Muziek
  • Kerkelijk leven
  • Verzuiling (verspreid in een aantal losse items, zoals Willemsfonds, socialistische toneelkring, Davidsfonds,…)
  • Verkeer, post, telegraaf, telefoon, verlichting, intercommunales
  • Nijverheid (coöperatieven, baksteen, diamant, scheepswerven, glas, , schoenen)
  • Verenigingen, jeugdwerking
  • Sport
  • Oorlogen
  • Ontspanning (cafés, cinema’s, toneel…)
  • Openbare rust en veiligheid
  • Immigratie
  • Dialect, straatnamen in de streektaal en bijnamen
  • Milieu en natuur
  • Onderwijs
  • Bevolking

Eigenlijk zowat alle onderwerpen die we in een dorpsmonografie van 1830-2000 verwachten. Het thema ‘gastarbeiders’ bijvoorbeeld was bij uitgifte toch wel nieuw in heemkundige context.

Het hele boek is mooi gezet en geïllustreerd. Waar mogelijk werden de personen op de foto’s van namen voorzien. Dit boek is zeker een aanrader voor wie in die moderne geschiedenis van Boom belangstelling stelt.

Alex Vinck, Boom van de oudheid tot het jaar 2000, Boom, VZW Weck, 1999, 352 p., D1999/8650/1

Delen:
Kasteel van Gaasbeek

Het Kasteel van Gaasbeek

Kasteel van Gaasbeek

Dit boekje komt van de hand van een kenner: Gaston Renson was de vierde conservator van het kasteel van Gaasbeek. Anderzijds is het weer ziek in het bedje van gooien met titels en pluimen. We zitten al vijf pagina’s ver eer alle plichtplogendheden van doctors, uitvoerende en beschermende comités de revue zijn gepasseerd. Of de lezers van toen daar ook zo weinig aan hadden als nu? Waarschijnlijk wel. Door de televisieserie ‘Tijl Uilenspiegel’  was het domein in die jaren trouwens een uitermate populaire bestemming voor een daguitstap. Zij hadden interesse in andere aspecten van het kasteel.

De historiek is bondig en gedocumenteerd, zo’n 15 pagina’s. In 1921 dan kreeg de Belgische Staat bij schenking gans het domein. Daarop volgen bijna tien pagina’s over de conservatoren en hun verwezenlijkingen. We krijgen ook inzicht in het aantal bezoekers en tenslotte moeten de leden van de bestuurs- en beheerscomissies nog eens bij naam genoemd worden. We leren er uit dat een ganse resem senatoren en -kundigen nodig waren, naast twee schoonmaaksters voor gans het gebouw…

De bibliografie is indrukwekkend en is eigenlijk de waarde van dit werkje: het geeft een stand van zaken van de verschenen literatuur en archivalische bronnen voor Gaasbeek.

Gaasbeek is momenteel een deelgemeente van Lennik.

G. Renson, Bouw en ikonografie van het Kasteel van Gaasbeek, [1970], 68 p.

Delen:
Russische partizanen WOII – Limburg

Russische partizanen in Limburg

Russische partizanen WOII – Limburg

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden Russische krijgsgevangenen het hard te verduren. Ze zaten tussen hamer en aambeeld. De Duitsers stelden ze bloot aan onmenselijke regimes in de dodenkampen, het thuisfront beschouwde hen -met Stalin op kop- als verraders.

In Limburg werden Russische gevangenen aangevoerd om te werken in de mijnen. Zo ook luitenant-kolonel Soesjkin. Hij weet te ontsnappen en sluit aan bij partizanen aan de Maaskant.

Na de oorlog keert hij terug naar de Sovjetunie. Daar wachten nog jaren strafkamp. Dat is het verdikt voor een verrader die meewerkte met de Duitsers.

De gebeurtenissen van hem en de in Limburg tewerkgestelde Russen zijn grondstof voor de in 1960 in Rusland verschenen oorlogsroman over hen. De tijden zijn veranderd en de visie op de krijgsgevangenen ook.

De auteurs toetsen de roman aan de bekende feiten. Het is een vlot verhaal over een verhaal en de werkelijkheid. De fragmenten steunen de feiten, de feiten duiden de fragmenten. Het geheel leest heel vlot. Een paar illustraties, een lijst met geraadpleegde werken.

Een gewaardeerde bijdrage aan de gebeurtenissen van 1940-1945 in Limburg en dit bijzondere aspect van de geschiedenis van de Limburgse mijnen.

Arthur Wollants, Jos Bouveroux, Russische partizanen WOII – Limburg, Leuven, Davidsfonds, 1994, 256 p.

Delen:
Traditie in nieuwe stenen. Het Sint-Gummaruscollege Lier in de kering 1980-1990

Traditie in nieuwe stenen

Traditie in nieuwe stenen. Het Sint-Gummaruscollege Lier in de kering 1980-1990

Een aanvulling bij het jubileumboek van 1980. Zo wordt dit werk in de inleiding genoemd. Toch telt het 190 pagina’s. En dan zijn de paar bladzijden reclame vlug vergeten.

Klasfoto’s moet je ook niet zoeken. Want daar ligt de focus niet op. Neen, het gaat om het schetsen van het collegeleven in al zijn aspecten.

Om één en ander te situeren, wordt de voorgeschiedenis hernomen. Deel 1 schetst het ontstaan en ontwikkeling van de school gedurende een eeuw, van 1880 tot 1980. Dat vult een 80-tal pagina’s. Niet verdreven, want het zorgt ervoor dat je het eerste boek niet nodig hebt om terug aan te pikken. De focus ligt echt op de bouwgeschiedenis.

De volgende 90 pagina’s beschrijven dan de jaren ’80, met nadruk op wat er allemaal reilt en zeilt in een school met en voor de leerlingen.

Het boek is goed geïllustreerd, zonder te vervallen in een kijkboek zonder duiding. De foto’s passen heel goed bij de besproken onderwerpen.

Er zijn geen voetnoten, de info zal wel grotendeels bij alle betrokkenen zelf nagetrokken en verzameld zijn. Het ging immers om een pas verstreken decennium. Wat wel ontbreekt: meer namen bij de foto’s. In 1990 was dat allemaal voor de hand liggend, maar 30 jaar later zou dat een meerwaarde betekenen.

Danny Vandeputte (Red.), Traditie in nieuwe stenen. Het Sint-Gummaruscollege in de kering 1980-1990, Lier, 1991, 190 p.

Delen:
Het cijnsboek van de heren van Aarschot

Het cijnsboek van de heren van Aarschot

Het cijnsboek van de heren van Aarschot

Aan de oorsprong van deze bewerking ligt prof. F. Camerlinckx (1900-1974), die een eerste transcriptie maakte en enkele notities neerschreef. Het voor Aarschot belangrijk document bevat gegevens over de inwoners van het Land van Aarschot, namen en familienamen, herkomst, economische activiteiten en bezittingen.

Opmerkelijk: het werk begint met een uitgebreide bibliografie. In twee delen: enerzijds geschiedenis (met nadruk op Aarschot) en anderzijds toponymie en antroponymie. Dat laatste is -voor de leek- de studie naar de herkomst van voor- en achternamen.

Dan volgt een korte beschrijving van het cijnsboek.

De bespreking van het Land van Aarschot krijgt 40 pagina’s toegemeten. Een grondige maar beknopte bespreking van de bestuurlijke en economische toestand, met aandacht ook voor het systeem van lenen. In een tweede deel ligt de klemtoon op de naamkunde.

De tekst van het document wordt integraal weergegeven (het is immers in het oud-Frans opgesteld) met daarop volgend de vertaling in het modern Nederlands. Samen een 150-tal pagina’s, enkele verklarende nota’s meegerekend.

Tenslotte de registers op plaatsnamen en persoonsnamen voor Vaalbeek-Bierbeek en idem voor het Land van Aarschot (nu o.a. Aarschot, Baal, Betekom, Langdorp, Rillaar, Messelbroek, Testelt) met daarbij nog een register op instellingen en gemeenschappen.

Het hoeft geen betoog dat voor de heemkundige of genealoog in de besproken streek dit document gewoon standaard tot de werkcollectie moet behoren.

F. Camerlinckx, F. Holemans, Het cijnsboek van de heren van Aarschot 1368-1375, Hertogelijke Aarschotse Kring voor Heemkunde, 1993, 304 p.

Delen:
Zo was… Gentbrugge

Zo was… Gentbrugge

Zo was… Gentbrugge

Eigenlijk is dit de voorloper van Het Gentbrugge van toen. Dezelfde onderwerpen: de kerk, straatzichten, Scheldezichten, kastelen en landhuizen. De stoet Van Houtte komt eveneens aan bod. Verder nog enkele rurale zichten.

Zoals elk van deze boekjes (bijvoorbeeld Ronse en Aalst) spits het zich toe op de periode van de eerste postkaarten, dus van ca. 1890 tot 1920.

Er zijn weinig beelden waarop mensen te zien zijn, en er worden geen namen genoemd. Een inleiding van anderhalve pagina over Gentbrugge, verder summiere uitleg bij de foto’s (in totaal 76 stuks).

Toch blijven dit boekjes, door het samenbrengen van die oude beelden met korte uitleg een halve eeuw na de feiten, mooie aanwinsten voor wie zich voor Gentbrugge interesseert.

O. Van Wittenberghe, Zo was… Gentbrugge, Antwerpen, C. De Vries-Brouwers PVBA, 1972, ca. 82 p., ISBN 9061740088.

Delen: