Brabant

Het cijnsboek van de heren van Aarschot

Het cijnsboek van de heren van Aarschot

Het cijnsboek van de heren van Aarschot

Aan de oorsprong van deze bewerking ligt prof. F. Camerlinckx (1900-1974), die een eerste transcriptie maakte en enkele notities neerschreef. Het voor Aarschot belangrijk document bevat gegevens over de inwoners van het Land van Aarschot, namen en familienamen, herkomst, economische activiteiten en bezittingen.

Opmerkelijk: het werk begint met een uitgebreide bibliografie. In twee delen: enerzijds geschiedenis (met nadruk op Aarschot) en anderzijds toponymie en antroponymie. Dat laatste is -voor de leek- de studie naar de herkomst van voor- en achternamen.

Dan volgt een korte beschrijving van het cijnsboek.

De bespreking van het Land van Aarschot krijgt 40 pagina’s toegemeten. Een grondige maar beknopte bespreking van de bestuurlijke en economische toestand, met aandacht ook voor het systeem van lenen. In een tweede deel ligt de klemtoon op de naamkunde.

De tekst van het document wordt integraal weergegeven (het is immers in het oud-Frans opgesteld) met daarop volgend de vertaling in het modern Nederlands. Samen een 150-tal pagina’s, enkele verklarende nota’s meegerekend.

Tenslotte de registers op plaatsnamen en persoonsnamen voor Vaalbeek-Bierbeek en idem voor het Land van Aarschot (nu o.a. Aarschot, Baal, Betekom, Langdorp, Rillaar, Messelbroek, Testelt) met daarbij nog een register op instellingen en gemeenschappen.

Het hoeft geen betoog dat voor de heemkundige of genealoog in de besproken streek dit document gewoon standaard tot de werkcollectie moet behoren.

F. Camerlinckx, F. Holemans, Het cijnsboek van de heren van Aarschot 1368-1375, Hertogelijke Aarschotse Kring voor Heemkunde, 1993, 304 p.

Delen:
Geestelijken uit Ternat

Geestelijken uit Ternat

Geestelijken uit Ternat

Met enige zin om de dingen in een groter perspectief te plaatsen: 900 jaar geestelijken uit Ternat. Het overgrote deel gaat immers over de tijd van het Rijke Roomse leven in Vlaanderen, ruwweg van 1820 tot 1960. Een periode met ongemeen veel roepingen, dat wel. Maar de grote reden van deze omlijsting is vooral dat de auteur het materiaal bijeenbrengt, als een verzamelaar, waarover hij beschikt.

Dat houdt meteen in dat over sommige personen er iets te zeggen valt, en over andere personen niet meer dan een  paar minieme lijntjes verschijnen. Ze verschijnen alfabetisch. Dat maakt het wel makkelijk iemand te zoeken. De samensteller probeert aan elke naam een beeld te koppelen.

Achteraan is een ‘Repertorium’, dat alle ordes en congregaties opsomt die in het boek voorkomen. Misschien was het beter geweest om daarbij de namen te vermelden als een soort overzicht. De lezer heeft niet veel aan een kopje ‘Cellebroeders’ met verder niks. Dat is een gemiste kans.

Onder de titel ‘Slot’ worden op twee pagina’s analyses gebracht. Had deze meer in de schijnwerper gezet en besproken! Het gaat over hoeveel personen naar welke orde gaan, hoe oud ze waren en in welke periode ze binnentraden. Bij dit laatste element een voorbeeld: waarom de 19de eeuw opdelen in twee blokken van 50 jaar, en de twintigste eeuw in blokken van 10 jaar? Het hoogtepunt van de roepingen lag volgens de auteur op het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste. Maar als je anders gaat indelen, zijn er tussen 1851 en 1900 104 mensen die kiezen voor religieus leven, en tussen 1901 en 1930 zijn er dat 79. Dus procentueel meer dan ervoor.

Uiteindelijk toch wel een verdienstelijke poging om alle geestelijkheid afkomstig van Ternat, Sint-Katarina-Lombeek en Wambeek (er geboren of op het moment van hun intrede er wonende) samen te brengen in een overzicht.

Jozef De Ridder, 900 jaar Geestelijken uit Ternat, Cultuur & Heemkring, s.d., 160 p., ISBN 9789081712309

Delen:
Geschiedenis van Lennik

Bijdragen tot de geschiedenis van Lennik

Geschiedenis van Lennik

Een grote verzameling artikelen vormen samen deze tweede reeks ‘Bijdragen’ over Lennik.

De eerste reeks verscheen in 1978 (Jaar van het dorp), deze tweede reeks zag het daglicht in 1981. Het initiatief werd genomen door de Kulturele Kring Andreas Masius, die 20 jaar bestond. Zij koppelde dit tweede lustrum aan een dezelfde verjaardag van de Roelantskring en de 50ste verjaardag van het overlijden van pastoor Vennekens. Enkele bijdragen handelen over hem.

Maar verder: wat een keur aan artikels, meestal tussen de 5 en de tien pagina’s lang.

  • Over personen: Vennekens, Baron de Saint-Genois, Jozef-Firmin Vincx, generaal De Koninck, Frans Jozef de Gronckel
  • Kerkelijk verleden: Lennik en de missie in Zuid-Afrika, de kostersbond, de parochies rond 1914, de romaanse Sint-Martinuskerk, kerk te Gaasbeek
  • Erfgoed: Christus-op-de-koude-steen, klokken, kapellen, glasramen, barok kerkmeubilair, oude hof Vivershem, het baljuwshuis te Gaasbeek
  • Verenigingen: Davidsfonds, fanfare Sint-Cecilia, zanggenootschap Sint-Gregorius
  • WOI: de gesneuvelden uit Sint-Martens-Lennik, vluchtelingen uit West-Vlaanderen, vredesfeesten in 1920
  • Kroniek van Sint-Martens-Lennik 1879-1979, Gaasbeek in 1907
  • Brandweer van Sint-Martens-Lennik en van Sint-Kwintens-Lennik
  • Heraldiek: Morenkoppen in wapenschilden

Een bibliografie en een uitgebreid namenregister sluiten dit boek. Goed voor 287 pagina’s historie van Lennik, met beperkte illustraties. 40 jaar later blijft dit werk een prachtige verzameling heemstof over de drie deelgemeenten.

Diverse auteurs, Bijdragen tot de geschiedenis van Lennik, 1981, 287 p., D/1981/2396/1

Delen:
Een andere kijk op 250 jaar kanaal Leuven-Dijle

250 jaar kanaal Leuven-Dijle

Een andere kijk op 250 jaar kanaal Leuven-Dijle

Op 9 februari 1750 zette Karel van Lorreinen een zilveren spade in de grond en schepte hij de eerste aarde weg. Honderdduizenden spadesteken later, op 21 december 1752, was de bedding uitgegraven. De inhuldiging volgde op 23 juli 1753. De verbinding Leuven-Schelde was een feit.

De impact van het kanaal op de stad, de economie errond en de schepen die het water doorklieven, veranderden. Een waterweg is een dynamisch proces binnen de contouren van een statisch gegeven. Deze economische en industriële kant van de (lokale)geschiedenis blijft dikwijls onderbelicht. Zeker als het aankomt op infrastructuur, zoals bijvoorbeeld drinkwater en elektriciteit.

Dit boekje geeft wat uitleg maar wil vooral via foto’s een beeld geven van wat er langs en op het kanaal te zien is. Het is een aanzet om met andere ogen rond te kijken. Het geheel is gerangschikt vertrekkende van Leuven tot in Mechelen-Battel en Zennegat. Een paar technische gegevens sluiten gepast af.

Een andere kijk op 250 jaar… Kanaal Leuven-Dijle, NV Zeekanaal, [2000], 48 p.

Delen:
Halle een Bourgondisch feest

Halle. Een Bourgondisch feest

Halle een Bourgondisch feest

Op zoek naar wat Halle nu eigenlijk is. Dat is zowat de kern van dit boek. Voor de auteurs is het duidelijke: Halle is een Bourgondisch feest.

In drie stappen zetten zij de zoektocht: het volk van Halle, het verleden van Halle en tenslotte de Hallenaren. Zij doen dat in woord en beeld. Naast een duiding in tekst beheerst een uitgebreide collectie foto’s in kleur dit boek. Die foto’s zijn niet alleen illustratie, zij trachten via beeld te vangen wat de kern uitmaakt van Halle en zijn bewoners.

Het volk van Halle, dat zijn de Vaantjesboeren. Wat is dat? Wat houdt dat in? Welke taal spreken zij? En waren er beroemde Hallenaren?

Het deel over de geschiedenis van Halle bevat het meest tekst. Het leest vlot en is een prima inleiding voor wie wat van dit stukje Brabant wil weten zonder zich meteen in details te verliezen. De beknopte bibliografie op het einde zet verdere geïnteresseerden op weg naar meer.

In het laatste deel komen de mensen die de stad tot leven brengen aan bod. Processies, kermissen, festiviteiten. Een beeld van rond 1990, ondertussen ook een tijd geleden. En daardoor op zich weer een mooi stukje historiek.

De geschiedenis is de grote leidraad die de drie delen verbindt. Doorheen het boek komt het verleden van de stad naar voren. En leer je daarmee de inwoners kennen.  Een mooi lees- en kijkboek over deze plek aan de rand van het Pajottenland.

Raymond Clement, Jan Decreton, Halle. Een Bourgondisch feest, Lannoo, 1991, ISBN 9020920243, 144 p.

Delen:
Opwijk in oude prentkaarten

Opwijk in oude prentkaarten

Opwijk in oude prentkaarten

Na Diest trekken we naar de andere kant van Vlaams-Brabant: naar Opwijk. Deze gemeente, op de grens met Oost-Vlaanderen, ligt aan de voet van de Brabantse heuvels. Op weg naar Asse, bij het buitenrijden van Mazenzele, wordt dat heel duidelijk. We zitten nog net voor de fusies, dus deze laatstgenoemde gemeente, nu deelgemeente van Opwijk, komt in het boekje niet aan bod.

Opwijk zelf kent drie kernen: centrum, Droeshout en Nijverseel. Deze laatste komen in de mate van het mogelijke aan bod. Want de focus ligt immers op de periode voor de Eerste Wereldoorlog en dan is er niet bijster veel beeldmateriaal voorhanden.

Het boekje telt 16 pagina’s straatgezichten (in totaal een 20-tal) met summiere uitleg. Dan volgen nog eens 22 beelden met mensen of gebeurtenissen. Dat maakt in totaal 38 enkelzijdig bedrukte bladzijden, met nog één extra bladzijde algemene uitleg.

Voor Opwijk, zo rijk gestoffeerd door het werk van Jan Lindemans, kon dat toch beter. Het station bijvoorbeeld is op geen enkele bladzijde te zien, terwijl er wel postkaarten van bestaan. Het lijkt erop dat er moest geroeid worden met de riemen die beschikbaar waren.

Anderzijds had Opwijk zijn “in oude postkaarten”. Een verzamelobject dat vandaag zo goed als onvindbaar lijkt.

Nand Van der Straeten, Opwijk in oude prentkaarten, Zaltbommel, 1973.

Delen:
Vorst in oude prentkaarten

Vorst in oude prentkaarten

Vorst in oude prentkaarten

De Toen-boekjes voor De Panne  en Diest  zijn elders op de site te vinden. Zij zijn de opvolgers van de reeks … in oude prentkaarten.

In het Frans krijgt de reeks de titel Au Temps jadis. Ligt voor de hand. Maar voor het Brusselse kwamen deze uitgaven tweetalig op de markt. Gelukkig staat de titel er wel in het Nederlands.

Het concept is hetzelfde: op elke bladzijde één foto met daarbij uitleg. De afbeelding zijn iets kleiner, omdat er een tweetalige commentaar bij de foto staat. Deze is redelijk uitgebreid. Daarmee bedoelen we: meer dan één zinnetje en voldoende om het geheel te situeren. Het Nederlands is zeker meer dan aanvaardbaar, alhoewel soms de rechtstreekse vertaling vanuit het Frans naar boven komt. Het kan in Brussel véél en véél slechter, met tweetalige werken in schabouwelijk Nederlands.

Het spreekt voor zich dat de kijker en lezer overdonderd worden met de metamorfose die het Vorst van 1880-1920 onderging. Een metamorfose die nog in een stroomversnelling kwam en als deel van de Brusselse agglomeratie nooit stopt. Anderzijds zijn nog zoveel herkenningspunten bewaard gebleven. Gilbert Papens, de samensteller, heeft ook plaats ingeruimd voor mensen uit het Vorst van weleer.

Deze verzamelboekjes van toen blijven een aanrader!

Vorst in oude prentkaarten deel 2, Zaltbommel, 1996, 115 p., ISBN 9028862382.

Delen:
De Tram “L” Londerzeel-Brussel

De Tram “L” Londerzeel-Brussel

De Tram “L” Londerzeel-Brussel

Trein en tram roepen beelden op aan een samenleving waar de auto nog niet bij iedereen voor de deur stond. Zij speelden een cruciale rol in de ontsluiting van dorpen en steden in de ruime periode 1840-1960.

Daarna werden de buurspoorwegen aan de kant gezet, in een poging om ze te vervangen door nog meer bussen op nog meer vaste lijnen. Dat diezelfde bussen ondertussen ook stilstaan of toch eigen beddingen nodig hebben onder de vorm van busbanen, had toen  niemand kunnen vermoeden.

De Tram “L” Londerzeel-Brussel belicht de lijnen Humbeel-Brussel en Londerzeel-Brussel (Rogierplaats). Het is een verzameling van artikels die eerder verschenen, met aanvullingen.

De auteur brengt ten eerste de informatie uit de gemeentelijke administratie samen (1871-1896). Vervolgens heeft hij het over ‘De Tramlijn van Brussel naar Humbeek en Londerzeel”. Eigenlijk brengt hij daarin een doordruk van de Guides Illustrés des chemins de fer vicinaux. Ligne de Bruxelles à Humbeek et Londerzeel. Een soort reisgids met beschrijving van wat er onderweg te zien was.

Vervolgens komt de historiek van de lijn aan bod, van de aanleg over de elektrificatie tot de herstructurering en de laatste rit. Ook de vervangende autobusdienst hoort hierbij. Dat voor zo’n belangrijke onderdeel slechts zes pagina’s nodig blijken, is eerder magertjes.

Dan volgen maar liefst 70 pagina’s foto’s (veelal twee per blad) met een zinnetje uitleg. Het zijn bijna steeds beelden van de tram of de infrastructuur uit de tijd van toen. Een mooie verzameling iconografisch materiaal.

Twee uurregelingen, ca. 15 pagina’s krantenknipsels, twee pagina’s over het trampersoneel en een opsomming van de tramhaltes sluiten dit boek.

De auteur is een goede verzamelaar. Hij valt eerder onder het type heemkundige dat we collectioneur noemen. Hij brengt heel veel samen. Alleen missen we een beetje de meer uitgediepte historiek achter de beelden. Dat het hoofdstukje over het trampersoneel voornamelijk (of soms uitsluitend) genealogische gegevens bevat, bijvoorbeeld. En niet wordt uitgelegd wat ze deden. Hoe dat in zijn werk ging. Dat sommigen eerst met de achternaam worden genoemd in deze opsomming, en anderen eerst met de voornaam, komt bijvoorbeeld slordig over. Zelfs bij een bundeling van eerder verschenen teksten met aanvullingen, is het toch niet te veel gevraagd één en ander beter aan mekaar te rijgen.

Toch kunnen we er niet aan voorbij dat meer van deze werken mogen verschijnen: ze leggen zoveel beeldmateriaal en documentatie over één onderwerp vast, dat ze zeker verdienstelijk blijven voor alle geïnteresseerden in tram- en treinwezen en voor een lokaal publiek.

Alfons Moeyersons, De Tram “L” Londerzeel-Brussel, Londerzeel, 2020, 124 p., ill.

Delen:
Heverlee 1846-1976. Evolutie in woord en beeld

Heverlee 1846-1976. Evolutie in woord en beeld

Heverlee 1846-1976. Evolutie in woord en beeld

In dit boek omspannen de auteurs ruim anderhalve eeuw dorpsleven. Misschien dat de data even de wenkbrauwen doen fronsen? 1846 is ingegeven door de oude kadasterplannen van Vandermaelen en de volkstelling, beiden in dat jaar verschenen. 1976 is natuurlijk het jaartal waarin Heverlee fusioneerde met Leuven.

De schrijvers willen de nadruk leggen op de evolutie van het dorp. Hoe evolueerde een gemeente met vier bescheiden woonkernen (Egenhoven, Terbank, Park, Centrum) tot een voorstad van Leuven?

Ze doen dat in maar liefst 20 hoofdstukken. De onderwerpen kunnen we rond een aantal thema’s samenbrengen.

  1. Urbanisatie: bevolking, landschapsevolutie, voorzieningen, straten en wijken;
  2. Economie en land- en tuinbouw;
  3. Politiek;
  4. Militaire en oorlog;
  5. Kerkelijk Heverlee met parochie en kloosters;
  6. Gebouwen, begraafplaatsen;
  7. Onderwijs en de KUL te Heverlee;
  8. Cultuur, ontspanning, sport en kunst.

De tekst is vlot leesbaar, de foto’s zijn talrijk en goed afgedrukt. Zo werd het een kijk- en leesboek. Elk onderwerp krijgt voldoende gewicht binnen het geheel. De inleiding geeft wat aanvullende literatuur, maar daar blijft het bij.

De auteurs hoopten met dit werk de eerder karige bestaande literatuur over Heverlee aan te vullen. Zij zijn goed geslaagd in hun opzet om een beknopte en vlot leesbare synthese te brengen van die evolutie op anderhalve eeuw. Het boek reikt zodoende vele handvatten om de vele onderwerpen verder uit te diepen en het Heverlees verleden rijk te stofferen. Want, zeggen ze zelf in de inleiding, het probleem werd niet: “Hoe vullen we een boek”, maar wel: “Hoe krijgen we alles erin?”.

Rik Uytterhoeven en Chris Morias, Heverlee 1846-1976. Evolutie in woord en beeld, Leuven, Acco, 1996, 189 p., ill., ISBN 9033436914.

Delen:
Diest in oude prentkaarten

Diest in oude prentkaarten

Diest in oude prentkaarten

Over de Toen-Boekjes hebben we het al eerder gehad, in de reeks verscheen onder andere ook De Panne. Ze volgden de populaire reeks “Zo was…” alias “… in oude prentkaarten” op. En die oude prentkaarten: ze blijven aanspreken.

Diest werd in 1844 ingelijfd in het Belgisch verdedigingssysteem. Een vestingsgordel spande zich als een keurslijf om het middeleeuwse stadje. De auteur van deel één spitst zich toe op enerzijds het oude Diest en anderzijds de vestingstad. Hij tracht daarbij ook een paar foto’s van groepen mensen in te lassen, om het stadleven van voor 1930 wat te schetsen. Alle afbeeldingen krijgen summiere commentaar.

In deel twee wordt een beeld van Diest samengebracht in vele postkaarten. Auteur Massin geeft wat uitleg bij elk beeld. De twee afbeeldingen van voetbalploeg Diest-Hogerop zijn herhalingen van deel één. Ook het oplaten van een luchtballon in 1907 (foto 66) is een herneming. Spijtig, want er valt over deze stad toch wel meer te tonen. De reden zal wel zijn dat de oorspronkelijke uitgaven 10 jaar van elkaar verschilden. Deel 1 verscheen oorspronkelijk in 1972, deel 2 in 1982.

In ieder geval blijven de twee delen een mooie verzameling beelden die een indruk geven van een Brabantse vestigingsstad tussen ca. 1890 en 1930.

Em. Peeters Saenen, Diest in oude prentkaarten deel 1, Toen-Boekje, Zaltbommel, 2000, 76 beelden, 80 p., ISBN 902882653X.

W. Massin, Diest in oude prentkaarten deel 2, Toen-Boekje, Zaltbommel, 2000, 76 beelden, 80 p., ISBN 9028820000.

Delen: